Meditatie
Jezus' begrafenis
Lezen: Johannes 20: 38-42
Twee mannen, Jozef van Arimathea en Nicodemus geven Jezus een laatste rustplaats. Zij geloofden slechts schoorvoetend, maar stappen nu naar voren. De kruisiging heeft iets in hen wakker gemaakt. Ze zien in dat ze niet aan de zijkant meer kunnen blijven staan. De begrafenis vindt met haast plaats, omdat het al bijna sabbat is. Er spreekt echter wel veel liefde en eerbied uit de manier waarop zij Hem begraven. Ze geven Jezus een waardige, zelfs luxe begrafenis. Hij krijgt van hen een nieuw, in de rotsen uitgehouwen graf, zoals alleen rijke mensen dat konden laten maken. Nicodemus neemt honderd litra specerijen mee om het lichaam van Jezus te verzorgen. De waarde ervan is astronomisch.
Hun handelen is een echo van Jesaja 53: Hij is bij de rijke in zijn dood geweest. Die verwijzing geeft hoop. Wanneer je dat hoofdstuk namelijk leest, ontstaat sterk de indruk dat de Lijdende knecht niet in zijn graf blijft. Het wordt niet heel expliciet gezegd, maar het kan bijna niet anders dan dat de dood bij Hem niet het laatste woord heeft. Johannes versterkt dit signaal van hoop. Als enige schrijft hij dat het graf in een tuin is. Deze tuin herinnert aan de tuin van Eden, waar Gods schepping ooit begon. Johannes schreef aan het begin van zijn evangelie: In het begin was het Woord, en het Woord was God, en alle dingen zijn door Hem gemaakt. Dat Woord was vlees geworden en wordt nu begraven in een tuin. Die gedachte roept iets op, bereidt voor op iets ongedachts zonder dat je kunt zeggen wat dat zal zijn.
De manier waarop Johannes Jezus’ begrafenis beschrijft ademt hoop, maar je weet als lezer nog niet precies hoe die hoop gaat uitwerken. Johannes geeft deze aandacht aan de begrafenis van Jezus, omdat hij wil dat we onze begrafenissen op dezelfde manier gaan zien. Wanneer we onze doden begraven in verbondenheid met Jezus, zit daarin de kiemkracht van hoop. Hoewel je het hoe en wat niet precies weet, mag je geloven dat het goed zal zijn.
ds. Sjaak van den Berg